Maand: januari 2020 (page 1 of 2)

Limericks

Een beginnend blog-schrijfster uit Rhenen
Wilde een onderwerp aan het nieuws ontlenen
Na oud & nieuw – het is heus
Had zij al zóveel keus

Met gemak kon ze haar publiek entertainen

In een paar zinnen zegt dit iets over mijn onzekerheid over het vinden van onderwerpen voor dit blog, de wens om relevante en actuele onderwerpen aan te snijden, maar ook dat het de bedoeling is dat het leuk is om te doen én om te lezen. En deze zinnen laat mijn voorliefde voor het spelen met woorden zien.

Inmiddels heb ik er een hele pagina aan gewijd: Limericks. Limericks zijn mini-verhaaltjes van vijf regels met en rijmschema van a-a-b-b-a. Ze bestaan waarschijnlijk al vanaf de zeventiende eeuw in meerdere Europese talen en waren vaak bedoeld als (gezongen) volksversjes (bron: Limericks&Limericken door Bas Hageman).
De limerick is voor mij een perfecte match tussen het spelen met taal en het bouwen aan een verhaal. En je blijkt hier ook prima de improvisatieregels te kunnen toepassen. Serge – die ik ken van de improvisatietheatervereniging waar we beiden lid van zijn – deelt de voorliefde voor limericks én voor improvisatie. Per whats-app zijn we begonnen samen limericks te maken. Daarbij zet één van ons de eerste twee regels voor, de ander bouwt daarop verder met de volgende twee regels en de eerste rondt het verhaal af met de eindregel die moet rijmen op de eerste twee én een pointe (een verrassend einde) ‘moet’ bevatten. We dagen elkaar uit om voort te bouwen en te reageren op de aanzet van de ander. En die aanzet dus ook volledig te accepteren – de basisregel van impro). Er is sprake van een balans tussen snelheid van reageren en geslaagde woordgrappen en metrum. Niet alle Limericks zijn even geslaagd, maar het levert regelmatig pareltjes op. En niet onbelangrijk: het levert altijd een glimlach als er een onverwachte wending in je scherm verschijnt.

Bij improvisatietheater leer je om in een scene zo snel mogelijk de Wie-Wat-Waar neer te zetten: wie zijn de personages op het podium, wat is hun relatie, wat is er aan de hand? En je leert dat een verhaal een opbouw kent waar de Wie-Wat-Waar helder maakt wat de normale situatie is en er vervolgens een probleem ontstaat. En dat probleem wordt groter, groter en groter. Tot er een einde aan het verhaal wordt gemaakt.

In de eerste zin van de Limerick komt meestal het personage en een plaatsnaam voor. De tweede zin geeft meestal aan wat normaal is (een gewoonte, een karaktertrek, een verlangen). De derde en vierde zin introduceren een probleem. En dan is het de bedoeling dat het verhaal in de laatste zin met een kwinkslag wordt afgemaakt. De afsluiter van het verhaal is best lastig. Soms komen we er niet helemaal uit en blijven er meerder opties mogelijk:

Real-time een limerick uit de mouw schudden op basis van input van publiek zorgt voor een te groot verlies aan kwaliteit en metrum. Er blijkt toch een paar minuten nodig om een verhaal rond te kunnen maken. Input krijgen we nu van alles wat langskomt, zoals de tuinvogeltelling dit weekend:

Soms is er wat taaltechnisch reparatiewerk nodig. Zo ontstond onderweg naar huis (op een avond met impro-les) de volgende limerick:

Een geslaagd verhaaltje, maar wel met twee keer de woorden “zijn/haar best doen” en twee keer “te zijn”. Dat is opgelost door de beginzinnen te vervangen door:

Het zou leuk zijn om met input van anderen aan de slag te kunnen. Je ziet dat bijvoorbeeld bij de sprookjes die de Vlaamse impro-speler Jeron Dewulf wekelijks met een collega in aanwezigheid van een live publiek inspreekt voor de podcast “De niet zo serieuze sprookjes”. In zo’n zeven minuten ontstaat er, met een van het publiek gekregen titel, een nieuw sprookje. Ze zijn sowieso leuk om naar te luisteren – maar ook leerzaam. Let maar eens op: de Wie-Wat-Waar wordt meestal heel snel duidelijk en woorden als “zoals altijd” en “maar toen” en “plotseling” duiden aan wanneer het probleem ontstaat. En bij een sprookje hoort een moraal – een mooie afsluiter van het verhaal.

De sprookjes van Dewulf zijn vaak stereotype en overtrokken – dat gebeurt bij onze impro-limericks ook. Maar dat wil niet zeggen dat het persé ongeloofwaardig is. Luister maar eens naar de meer dan 230 afleveringen van de Echt Gebeurd podcast waar echt gebeurde verhalen worden verteld door de hoofdpersoon zelf. Daar gebeuren vaak heel onwaarschijnlijke dingen, terwijl het wel geloofwaardig blijft! Ook hier is er vaak snel duidelijk wie waar is en wat er normaal gesproken gebeurt. Vervolgens komt de wending en een opbouw en uitvergroting van het probleem. Wat maakt het dan geloofwaardig? Ik denk de hoeveelheid details, de pauzes, de tussenzinnen en de beschrijving van het gevoel van de persoon in kwestie. Heel leerzaam voor het neerzetten van reële scenes bij het improviseren!

Maar bij limericks moet het in vijf regels én op rijm – dat schuurt dus vaak lekker tegen het absurdistische.

Daag jij ons uit door ons een beginzin te geven?

Kijk voor een selectie van de impro-limericks op de limerick-pagina. Deze zal ik regelmatig aanvullen.

WC-papier besparen

“Dus je veegt, je kijkt en je denkt ‘Ik denk dat ik het wel heb!'”

Cabaretier Kasper van der Laan legt begin december aan Matthijs van Nieuwkerk in de uitzending van De Wereld Draait Door zijn ontdekking uit:

“Je veegt en dan kijk je – daar gaan we eerlijk over zijn: dat doen we allemaal. […] Jij veegt je billen […] je kijkt; het papier is schoon. Dan weet je: het papier is schoon, dan zijn mijn billen ook schoon. […] Maar dan wáren je billen al schoon, je veegt dus altijd één keer te vaak. Maar de echte vraag is: durf je het er op te gokken? […] Weet je hoeveel papier we kunnen besparen?”

Een ongemakkelijke waarheid!

Blijkbaar zijn er meer cabaretiers bezig met het besparen van wc-papier. In de OneWorld van september 2019 stond een interview met Hans Dorrestijn en zijn dochter Kirsten over duurzaam gedrag. De titel was “halfje wc-papier”.

Hij: “Ik snapte nooit waarom er in jullie toiletrol altijd een half velletje wc-papier gefrommeld zat. Hij bleek zijn stengel na het plassen steeds met maar een half velletje droog te maken!” Zij: “Hij doet het eigenlijk met een kwart velletje.” Hij: “Oh, zo ver ben ik nog niet.”

Wc-papier besparen is zeker wel de moeite. In een gemiddeld huishouden gaat een rol ongeveer 5 dagen mee. In Nederland spoelen we 22.000 kilometer papier per dag door het toilet!

Wc-papier bestaat al lang, maar over de uitvinder is veel onduidelijkheid. Vóór de wc-rol werd een tijd krantenpapier gebruikt: de term drukwerk krijgt opeens een heel andere lading…
Sinds de ontwikkeling van de wc-rol in is niet veel meer aan het principe veranderd. Wel is de afgelopen decennia het aandeel gerecycled wc-papier flink toegenomen. Het wc-papier wordt dan volledig van oud papier gemaakt, en niet meer van hout als grondstof. Het Klokhuis laat in dit filmpje zien hoe dat gaat.

In grote delen van de wereld kan wc-papier niet door de wc gespoeld worden. In Nederland en een groot deel van Europa kan dat wel. Maar dan bedoelen ze waarschijnlijk niet de hele rol zoals op deze foto’s staat aangegeven….

En het wc-papier zelf dan? Kan dat niet gerecycled worden? Een voorzichtig: Ja, dat kan. Technisch is het haalbaar, maar of het teruggewonnen product voldoende oplevert? De eerste pilots gebeuren nu in Nederland. En het teruggewonnen papier (cellulose) wordt toegepast in onder meer asfalt.

Dus duurzamer wc-papier kopen van gerecycled materiaal kan in elke supermarkt. Ook is er wc-papier waardoor je meebetaalt aan sanitatie-projecten in het buitenland. Is het een idee om een extra scheurrandje in de velletjes te maken, zodat je beter afgepaste hoeveelheden kunt gebruiken?
En mogelijk wordt het wc-papier dat je gebruikt, in de toekomst teruggewonnen op de rioolwaterzuiveringsinstallaties. (Overigens gebruikt het toilet veel (drink)water om jouw boodschappen mét wc-papier bij de zuivering te krijgen. Ook daar valt nog wel wat op te besparen…).

Maar kan het ook anders, zijn er alternatieven?
Ja, in grote delen van de wereld wordt water gebruikt. In veel Aziatische landen vind je een soort douchekop naast het toilet of een emmer met water en een bakje. De techniek om mijzelf goed schoon te krijgen, heb ik nog niet goed onder de knie. Je begrijpt na wat pogingen wel dat je daar één hand (je rechterhand) voor eten en schone dingen gebruikt, en één hand (je linker) voor het toiletbezoek. Het schoonmaken lukt uiteindelijk wel, maar ik kan er niet aan wennen dat je niet droog kan worden. Dus dat je met een natte (onder)broek verder moet… Dat je de sproeikop dan weer niet voor andere doeleinden mag gebruiken maakt deze foto duidelijk:

wc-douche (Cambodja 2012)

In Japan hebben ze daar dan weer wat op gevonden: het toilet sproeit (verschillende standen en watertemperaturen mogelijk) je schoon EN föhnt je daarna droog. Poepen zonder handjes!
In mijn reisdagboek van mijn reis door Japan in zomer 2000 schreef ik: “ik weet nog steeds de juiste instellingen van de wc niet – ik word elke keer verrast door onprettig harde koude stralen en een te hete föhn”. (Ook schreef ik: “In het hotel zijn wc’s waar je een knop hebt om een doorspoelgeluid af te spelen. Een vreemd soort privacy.”. )

Maar om op de vraag van Kasper van der Laan terug te komen: nee, ik durf het er niet op te gokken. Jij wel?

Op de pagina beeldtaal staat onder het kopje “plee-plezier” een aantal foto’s die op of nabij toiletten zijn gemaakt. Over alles wat je niet mag volgt later nog een blog!

Allemaal beestjes

Weet je wat ik zie als ik gedronken heb? (Nou nou ?)
Allemaal beestjes, zoveel beestjes, om me heen
Oh ik weet wel dat ik nou mezelf nep (Nou nou !)
Want er zijn geen beestjes, maar ik zie beestjes, om me heen

Zo begint een liedje dat is geschreven door Peter Koelewijn, de man die afgelopen week tot officier in de orde van Oranje-Nassau is benoemd. Een liedje dat ik vaak in mijn hoofd heb als ik gewoon op straat loop, want ik zie ook overal beestjes. Maar ik zie ook beestjes als ik niet gedronken heb!

Texas2012

“Kunnen jullie door een waterkraan?
Wij kunnen door een waterkraan.”

De smurfen claimen in de songtekst van Pierre Kartner dat ze door waterkranen kunnen. Onwaarschijnlijk! En hierbij het bewijs: de smurfen zijn een waterkraan. In Houston (USA) staat op bijna elke straathoek een blauwe smurf met een witte muts. En als je ze eenmaal ziet, dan ligt paranoia op de loer: het is een heuse invasie!

Maar niet alleen smurfen vermommen zich als kranen, ook elanden doen dat:

En de digitalisering is nog niet doorgeslagen in Texas: er zijn nog parkeerautomaten. Nou ja, parBeerautomaten zou ik zeggen. En die beren langs de weg kijken je nooit recht aan! En in Marokko kwam ik deze gevaarlijke slang tegen.

Maar ook in pompen, stenen en boomstronken kan je beesten zien, zoals hier een robot en een dinokop. Meer foto’s vind je op de pagina “beeldtaal” op deze site.

Libanon 2017

Pareidolie of pareidolia heet het verschijnsel dat we als mensen heel graag gezichten in objecten herkennen. En dat heeft ook een functie. In dit minicollege van de Universiteit van Nederland (16 minuten, dat is het waard!) legt Daniël Wigboldus van de Radboud Universiteit uit dat je als mens beter teveel gezichten ziet, dan dat je er eentje mist. Gezichtsherkenning is heel belangrijk voor je sociale netwerk, maar ook het interpreteren van emotie is heel belangrijk voor je gedrag. Dat je brein daarbij top-down informatie ‘verzint’ – illusies dus – illustreert hij in zijn college aan de hand van wat voorbeelden.

Ik ben dus zeker niet de enige die gezichten of beestjes ziet. Dieren of gezichten zien in alledaagse voorwerpen is iets dat overal ter wereld gebeurt. En door de mogelijkheden om de beelden via internet te delen zie je ook dat het wereldwijd een bron van vermaak is. Ergens in 2010 is een foto gemaakt van een toiletdeur in een café waar bij een universeel haakje was geschreven: Drunk octopus wants to fight you. Inmiddels is overal ter wereld bij soortgelijke haakjes dezelfde tekst te vinden.

Een wilde greep uit beelden die rondzwerven op internet zie je in dit filmpje. Instagram staat ook vol met mooie voorbeelden van alledaagse voorwerpen of hele huizen waar gezichten in gezien worden. Zoek op Iseefaces of pareidolia en verwonder je!

Leuk vind ik het vooral dat het zien van gezichtjes voor (bijna) dagelijkse binnenpretjes zorgt. Lastig vind ik dat als je eenmaal een smurf, eland of octopus ziet, dat je het niet meer kan ‘ontzien’. En dat je de associaties niet kan tegenhouden. Zo weet ik zeker dat, ook als je niet tot deze laatste zin hebt doorgelezen, je toch het smurfenlied van vader Abraham in je hoofd hebt!

Of het liedje van Peter Koelewijn natuurlijk..

Mocht je denken: waarom hebben wij geen smurfen in Nederland? De meeste van onze brandkranen zitten ondergronds. Onder een putdeksel met de tekst brandkraan zijn ze verstopt onder trottoirs en wegdek. In jargon wordt wel de afkorting OBK gebruikt voor ondergrondse brandkraan (wat mij altijd doet denken aan de harmonievereniging in het dorp waar ik ben opgegroeid; die heet Oefening Baart Kunst). Wist je dat we op de meeste plekken in Nederland met drinkwater blussen…? Ook leuk om te weten: als je rode bordjes ziet met B of BK en een getal op een paal of tegen een gevel: dat is een aanduiding waar de dichtstbijzijnde ondergrondse brandkraan zich bevindt, zodat je deze ook als er sneeuw ligt (of er een auto op geparkeerd staat) te traceren. Laat je me weten of je ze vindt?

« Oudere berichten

© 2024 opmerkdingen

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑